Presse

Myrthe van Dijk dans Haarlems Dagblad (11 novembre 2002)

Fairy Queen

Eeuwenoud vermaak in charmant jasje

 

The Fairy Queen is geen opera. In het 17e-eeuwse Engeland bestond weinig animo voor dit relatief jonge genre van het Europese vaste land. Toch was er wel degelijk behoefte aan muziektheater. Hierin werd voorzien door bekende toneelstukken op te smukken met muzikale voor-, tussen- en naspelen. De zangers hoefden niet te acteren, de acteurs hoefden niet te zingen, en mocht de monoloog van één der spelers zich lenen voor een mooie aria, dan nam een zanger gewoon even tijdelijk de rol over.

Deze 17e-eeuwse Engelse uitvoeringspraktijk is door de Stichting Barokopera Amsterdam in een nieuw jasje gestoken met een moderne enscènering van Purcells semi-opera The Fairy Queen, die hij componeerde bij Shakespeare's A Midsummernight's Dream. Het resultaat is vermakelijk, maar vergt wel enige omschakeling van degenen die een 'gewone' opera verwacht hadden. Zo hebben de meeste toehoorders in de Haarlemse Stadsschouwburg wel even tijd nodig om zich te realiseren dat de kluchtige toneelscènes net zoveel aandacht verdienen als de muziek. Maar gaandeweg raakt iedereen gecharmeerd van de voorstelling, die smakelijk wordt opgediend met uitstekend acteerwerk, speelse humor, originele vondsten en uiteraard mooie muziek.

Het op oude instrumenten spelende barokensemble neemt een prominente plaats in op het podium. Il Teatro Musicale speelt met schwung, daartoe aangespoord door de soms iets té energiek zwaaiende dirigente Frédérique Chauvet. Er wordt een grote variëteit aan samenstellingen gepresenteerd van een voltallig klein orkest tot kleine kamermuziek bezettingen al dan niet met zang.

De vocale bezetting verdient alle lof: Helena Wiklund, Arnon Zlotnik, Stefan Berghammer en Willem de Vries vormen samen een welluidend kwartet, dat de prachtige koorpartijen van Purcell voor hun rekening neemt. Maar af en toe kunnen zangers er ook solistisch uitspringen, in uitbundige, dan wel serene aria's. De mannelijke alt Zlotnik trekt extra aandacht met een warm en soepel stemgeluid, en een overtuigende theatrale uitstraling. Ook de twee zangers met een hoofdrol in het verhaal, Menno van Slooten en Penni Clark als boskoning en koningin, laten uitstekende zang horen.

Het kwetsbaarste onderdeel van de productie is het evenwicht tussen de toneelscènes en de muzikale intermezzi. Het is goed gelukt om tot een acceptabele kernachtige omvang te komen (in de 17e-eeuw trok men er al gauw een uur of vijf voor uit), al zakt hier en daar het tempo van de voorstelling even in. Gelukkig worden de langere toneelmomenten ingevuld door innemend spel van de acteurs, Susanne Hameleers, Marieke Koster, Michiel Rampaart en Richard Smolenaers zijn lachwekkende, maar ook vertederende liefdesparen die onder invloed van tovenarij helemaal met zichzelf en elkaar in de knoop raken.

In de regie van David Prins wordt de kinderlijke onschuld van dit eeuwenoud vermaak terecht intact gelaten. En na een bijna eindeloze happy ending van epilogen, naspelen en uitzwaaitoegiften, kun je niet anders dan de zaal met een glimlach verlaten.