Presse

Dick van Teylingen dans Theaterkrant (3 décembre 2017)

Barokopera Amsterdam neemt alleen de muziek serieus

Met vijf zangers brengt Barokopera Amsterdam een luchtig geënsceneerde versie van King Arthur. De semiopera van Henry Purcell is muzikaal boven alle twijfel verheven (had hij maar langer geleefd dan zesendertig jaar), maar wat moet je met dat verhaal? Niet serieus nemen, vindt Barokopera Amsterdam. Dat levert een vrolijke voorstelling op.

Komisch: Barokopera Amsterdam stelt in het programmaboekje zelf de vraag ‘Waarom nu King Arthur opvoeren?’, begint dan over de aantrekkelijke kanten van de Arthurmythe (ridders, avontuur, mystiek, Merlijn), maar moet uiteindelijk bekennen dat daar niks van terug te vinden is in het libretto van John Dryden. Hij maakte er een typisch zeventiende-eeuws verhaal van, waarin de goeden tegen de slechten vechten, de goeden winnen en het vaderland een glorieuze toekomst wordt toegezongen. Het gaat natuurlijk om de muziek, het verhaal moet je met een paar korrels zout nemen. En toch is het interessant om te zien wat de context is van die mooie ensemblestukken.

In King Arthur, or The British worthy vechten de christelijke Britten onder Arthur tegen de barbaarse Saksen. Van de vuige tegenstrevers is Oswald de leider. Hij en zijn knecht Grimbald halen alle smerige trucs uit de kast om hun lot af te wenden. Ze proberen de Britten het moeras in te lokken (‘Hither, this way’) en ontvoeren de koningin, maar uiteindelijk delven de schurken het onderspit. Purcell en Dryden vlechten herderstaferelen door de strijd, er wordt naakt gezwommen, geflirt en meer, stevig ingenomen en uiteindelijk natuurlijk feest gevierd.

Sybrand van der Werf regisseert het verhaal met veel ironie. Ook een gootsteenontstopper kan als wapen dienen, een fatale dreun wordt opgeroepen door een klap met een rubberen hamer op een watermeloen en de boventiteling geeft hartige vloeken weer met een hashtag. Het begin lijkt even een politieke uitspraak te zijn. Uit de hutkoffer met alle attributen steekt het beroemde zwaard. Niemand kan dat er in z’n eentje uittrekken, maar met zijn allen lukt het wel – een pleidooi voor democratie dus, in plaats van voor één sterke leider?

De vijf zangers kunnen overweg met de humor. Wendy Roobol en vooral Mijke Sekhuis zingen prima; de eerste kiest helaas soms voor een Amerikaanse uitspraak. Matthijs Hoogendijk en Pieter Hendriks leveren degelijk werk, al zou het soms iets lichtvoetiger kunnen. Oscar Verhaar had de pech dat hij ’s middags een deel van zijn stem kwijtraakte en aan het eind van de opera nauwelijks meer geluid meer kon maken. Hij is een prima countertenor, dus het komt vast wel goed, maar we misten bij de première wel iets. Zijn humor bleef het hele stuk door verfrissend, tegenover de bedoeld oubollige aanpak van de andere mannen (die daar ook weer afstand van namen). Wim T. Schippers meets De Mounties, zeg maar. De Nederlandse vertaling past daarbij. ‘Pas maar liever op je schreden/ anders val je naar beneden.’ ‘We zullen golven laten botsen/ Totdat ze klotsen.’

Muzikaal leider Frédérique Chauvet bewerkte het stuk samen met Van der Werf. Ze laat haar musici spelen met een mooie slanke en transparante klank, met veel aandacht voor de blazers. Soms pakt ze zelf de traverso. Voor wie Verdi een paar stappen te ver is maakt Barokopera Amsterdam opera heel verteerbaar.